|
Cijfers over buitenlandse
investeringen in ons land tonen aan hoe grote, internationale ondernemingen
fiscaal gepamperd worden.
Soms gooit het kleine België toch nog
eens hoge ogen in internationale vergelijkingen. In haar jaarlijkse World
Investment Report (WIR) plaatst de Unctad, de organisatie van de
Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling, ons land op de vierde rang voor
het aantrekken van buitenlandse investeringen in 2010. België (62 miljard
dollar) moet alleen de Verenigde Staten (228 miljard dollar), China (106
miljard dollar) en Hongkong (69 miljard dollar) laten voorgaan. In het vorige
WIR stond ons land nog op de zeventiende plaats.
Zegt de spectaculaire sprong
voorwaarts iets over een piekende aantrekkelijkheid van België voor
buitenlandse investeerders? Leidt hij tot een al even forse injectie in onze
economie, met een massa nieuwe arbeidsplaatsen tot gevolg? Lang nadenken is
echt niet nodig om tweemaal negatief op die vragen te antwoorden. Niet alleen
schommelen de WIR-gegevens over ons land daarvoor veel te veel (van 142
miljard dollar in 2008, over nog amper 23 miljard dollar in 2009, tot nu dus
weer 62 miljard dollar in 2010). Ze hebben ook in grote mate betrekking op de
overname van lokale bedrijven door buitenlandse ondernemingen en niet op
nieuwe vestigingen of een activiteitenuitbreiding van een multinational
in België.
De kapitaalstromen naar en via ons
land geven wel een indicatie van het glijmiddeleffect van
minstens twee belangrijke fiscale gunstmaatregelen. Dat zijn op de eerste
plaats de coördinatiecentra, die fungeren als financieringsvehikel voor
internationale bedrijven (aan dat regime is overigens pas op 31 december 2010
op aandringen van Europa een einde gemaakt). En op de tweede plaats is
er de notionele-interestaftrek. Daardoor kunnen vennootschappen niet alleen de
interest voor vreemd kapitaal van hun belastbare winst aftrekken, maar
mogen ze ook op de inbreng van eigen middelen bij hun aangifte een
interestvoet toepassen.
Over die laatste maatregel, die in
2005 door Paars II werd beslist en voor het eerst werd toegepast op de
bedrijfsresultaten van 2006, is al veel inkt gevloeid. Zowel de omvang van
de notionele-interestaftrek (meer dan 16 miljard euro voor het aanslagjaar
2010) als de bruto fiscale kosten (ruim 5 miljard euro voor datzelfde
aanslagjaar) zijn sindsdien tien keer groter geworden dan oorspronkelijk
geraamd. Door een combinatie met andere aftrekposten, zoals de vrijstelling van
verkregen dividenden en van meerwaarden, is de effectieve
vennootschapsbelasting gedaald tot minder dan 12 procent (tegenover een
nominaal tarief van 33,99 procent). Internationale ondernemingen weten
daar zelfs gemakkelijk een nultarief van te maken. Voor hen is België
een heus belastingparadijs. Zoals Kamerlid Dirk Van der Maelen
(SP.A) elders in dit blad aantoont, zorgt een intussen opgebouwd 'overschot' van
12 miljard euro aan notionele-interestaftrek dat dit nog wel enige tijd zo zal
blijven .
Hoeraberichten over buitenlandse investeringen
vertellen dus weinig over de meerwaarde voor de Belgische economie, maar des te
meer over de grote gaten die ermee in de belastingopbrengsten worden geslagen.
Patrick Martens (in knack van 3
augustus)
© 2011 Roularta
Media Group
|