|
Gisteren
werd in de Kamer de IPA-wet goedgekeurd. De lonen mogen de komende twee jaar
met maximum 0,3% toenemen. Telkens weer stel ik met toenemende verbazing en ergernis
vast dat in de debatten over het concurrentievermogen van onze ondernemingen,
of het nu in de media is of in de parlementen, het quasi uitsluitend over
loonontwikkeling gaat. De evolutie van de competitiviteit en de
loonontwikkeling lijken wel synoniemen, of beter gezegd tegengestelden.
Ik wil in deze bijdrage het belang van een
beheerste loongroei niet in vraag stellen, wel de overdreven fixatie erop. Tegelijk
breek ik een lans om ook de winstuitkering aan de aandeelhouders te matigen.
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de loonmatiging van de werknemers wordt
omgezet in meer dividenden voor de aandeelhouders?
Sinds de invoering van de wet tot vrijwaring van het concurrentievermogen in 1996 waren de marges voor
reële
loonsverhogingen als gevolg van de loonnormering uitermate bescheiden. En ze
werden gerespecteerd door de sectoren. De aandeelhouders daarentegen legden
geenszins eenzelfde soberheid aan de dag. Uit het verslag van de Centrale Raad
voor het bedrijfsleven en uit het jaarverslag van de Nationale Bank blijkt dat
tussen 1996 en 2007 de brutowinst van de vennootschappen is toegenomen van 21%
tot 25% van het BBP. Het aandeel van de netto uitgekeerde dividenden in de
toegevoegde waarde van de vennootschappen met 30% is toegenomen, terwijl het aandeel
van de verloning van de werknemers met meer dan 4% is afgenomen. Bovendien maken
de loonkosten in ons land een opmerkelijk kleiner deel uit van de totale
kostenstructuur van de vennootschappen dan in onze buurlanden.
Het is dan ook bijzonder merkwaardig dat niet
meer aandacht gaat naar de andere factoren die mee onze concurrentiepositie
bepalen. Concurrentie is immers meer dan lonen alleen. Om concurrentieel te
blijven moeten we de stap zetten naar een creatieve economie. In een dergelijk
model ligt de nadruk vooral op kwaliteit, innovatie en creativiteit. Het CRB
schrijft daarover: "Het concurrentievermogen van de Belgische economie zal in
de nabije toekomst meer en meer afhangen van het vermogen om superieure
producten en diensten te vervaardigen en te verkopen. Op dit vlak scoort België
minder goed, zeker voor radicale innovaties. Een belangrijke input in het
innovatieproces is onderzoek en ontwikkeling. De O&O-intensiteit,
O&O-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp, is in België ver
verwijderd van de 3% die volgens de Barcelonadoelstelling in 2010 zou moeten
bereikt worden". Over opleiding en vorming bij
onze bedrijven zegt het CRB: "Bedrijven zien vorming te veel als een kost en te
weinig als investering".
Een beheersing van de loongroei is dus niet
het alfa en omega van de competitiviteit zoals sommigen willen laten
uitschijnen. Er moet ook geïnvesteerd worden door de bedrijven: in onderzoek en
ontwikkeling, in vorming en opleiding, in kwaliteit, innovatie en creativiteit.
Indien naast de loonontwikkeling ook de dividenduitkeringen worden gematigd,
indien aandeelhouders dezelfde soberheid aan de dag leggen als de werknemers en
de gemaakte winsten geïnvesteerd worden in plaats van uitgekeerd, dan zal dat de
concurrentiepositie van onze ondernemingen versterken.
Het is wat mij betreft dan ook niet meer dan
normaal dat ook de aandeelhouders een gelijkaardige inspanning leveren als de
werknemers. Wie oprecht bekommerd is over de concurrentiepositie van onze
vennootschappen moet niet naar de verloning van werknemers kijken als konijnen
naar een lichtbak. Wie oprecht bekommerd is over de concurrentiepositie van
onze vennootschappen verwacht ook een inspanning van de aandeelhouders. Meer
competitiviteit is niet hetzelfde als meer winst voor de aandeelhouders.
De tweede reden waarom ik vind dat de
aandeelhouders een gelijkaardige inspanning moeten leveren als de werknemers,
is omdat we niet mogen toelaten dat de inkomensongelijkheid verder toeneemt.
Ongelijkheid maakt ongelukkig. En indien we de
loongroei beperken en tegelijkertijd de dividenduitkeringen onbeperkt laten
toenemen, dan zal de inkomensongelijkheid verder toenemen. Dat er mensen zijn
die profijt halen uit hoge dividenduitkeringen leidt geen twijfel, dat er veel
meer mensen zijn voor wie dat niet geldt - zeker als hun arbeidsinkomen wordt gematigd
- evenmin. Het financieel vermogen van de gezinnen - en zeker het
bezit van aandelen - is zeer ongelijk verdeeld, veel ongelijker dan het inkomen
uit arbeid. Zo zijn de 10 procent hoogste inkomens goed voor 62% van het
financieel vermogen met marktwaarde.
Zowel vanuit een
economische invalshoek als vanuit een maatschappelijke invalshoek is het dus
logisch om van de
aandeelhouders een gelijkaardige inspanning te vragen als de inspanning die
gevraagd wordt van de werknemers. De wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring
van het concurrentievermogen uit 1996 voorziet expliciet in die mogelijkheid. Artikel
14 van die wet bepaald immers dat de regering in Ministerraad overlegd besluit
maatregelen kan nemen met betrekking tot een matiging van de dividenden,
gelijkwaardig aan de loonmatiging. Toch vraagt de
regering alleen de lonen te matigen en dat betreur ik ten zeerste. Die
loonmatiging dreigt immers opnieuw omgezet te worden in grotere
winstuitkeringen voor de aandeelhouders, met een beperkte impact op de
competitiviteit en toenemende ongelijkheid als gevolg.
Dirk Van der Maelen
|