Advertisement
   Doorzoek de site
   
1: Nieuws2: Fiscaliteit3: Internationaal4: Vrede5: Parlement6: Biografie7: Contact

Competitiviteit is niet hetzelfde als meer winst voor de aandeelhouders Afdrukken E-mail
08/04/2011
Gisteren werd in de Kamer de IPA-wet goedgekeurd. De lonen mogen de komende twee jaar met maximum 0,3% toenemen. Telkens weer stel ik met toenemende verbazing en ergernis vast dat in de debatten over het concurrentievermogen van onze ondernemingen, of het nu in de media is of in de parlementen, het quasi uitsluitend over loonontwikkeling gaat. De evolutie van de competitiviteit en de loonontwikkeling lijken wel synoniemen, of beter gezegd tegengestelden.

Ik wil in deze bijdrage het belang van een beheerste loongroei niet in vraag stellen, wel de overdreven fixatie erop. Tegelijk breek ik een lans om ook de winstuitkering aan de aandeelhouders te matigen. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de loonmatiging van de werknemers wordt omgezet in meer dividenden voor de aandeelhouders?   

Sinds de invoering van de wet tot vrijwaring van het concurrentievermogen in 1996 waren de marges voor reële loonsverhogingen als gevolg van de loonnormering uitermate bescheiden. En ze werden gerespecteerd door de sectoren. De aandeelhouders daarentegen legden geenszins eenzelfde soberheid aan de dag. Uit het verslag van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en uit het jaarverslag van de Nationale Bank blijkt dat tussen 1996 en 2007 de brutowinst van de vennootschappen is toegenomen van 21% tot 25% van het BBP. Het aandeel van de netto uitgekeerde dividenden in de toegevoegde waarde van de vennootschappen met 30% is toegenomen, terwijl het aandeel van de verloning van de werknemers met meer dan 4% is afgenomen. Bovendien maken de loonkosten in ons land een opmerkelijk kleiner deel uit van de totale kostenstructuur van de vennootschappen dan in onze buurlanden.

Het is dan ook bijzonder merkwaardig dat niet meer aandacht gaat naar de andere factoren die mee onze concurrentiepositie bepalen. Concurrentie is immers meer dan lonen alleen. Om concurrentieel te blijven moeten we de stap zetten naar een creatieve economie. In een dergelijk model ligt de nadruk vooral op kwaliteit, innovatie en creativiteit. Het CRB schrijft daarover: "Het concurrentievermogen van de Belgische economie zal in de nabije toekomst meer en meer afhangen van het vermogen om superieure producten en diensten te vervaardigen en te verkopen. Op dit vlak scoort België minder goed, zeker voor radicale innovaties. Een belangrijke input in het innovatieproces is onderzoek en ontwikkeling. De O&O-intensiteit, O&O-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp, is in België ver verwijderd van de 3% die volgens de Barcelonadoelstelling in 2010 zou moeten bereikt worden". Over opleiding en vorming bij onze bedrijven zegt het CRB: "Bedrijven zien vorming te veel als een kost en te weinig als investering".

Een beheersing van de loongroei is dus niet het alfa en omega van de competitiviteit zoals sommigen willen laten uitschijnen. Er moet ook geïnvesteerd worden door de bedrijven: in onderzoek en ontwikkeling, in vorming en opleiding, in kwaliteit, innovatie en creativiteit. Indien naast de loonontwikkeling ook de dividenduitkeringen worden gematigd, indien aandeelhouders dezelfde soberheid aan de dag leggen als de werknemers en de gemaakte winsten geïnvesteerd worden in plaats van uitgekeerd, dan zal dat de concurrentiepositie van onze ondernemingen versterken.

Het is wat mij betreft dan ook niet meer dan normaal dat ook de aandeelhouders een gelijkaardige inspanning leveren als de werknemers. Wie oprecht bekommerd is over de concurrentiepositie van onze vennootschappen moet niet naar de verloning van werknemers kijken als konijnen naar een lichtbak. Wie oprecht bekommerd is over de concurrentiepositie van onze vennootschappen verwacht ook een inspanning van de aandeelhouders. Meer competitiviteit is niet hetzelfde als meer winst voor de aandeelhouders.

De tweede reden waarom ik vind dat de aandeelhouders een gelijkaardige inspanning moeten leveren als de werknemers, is omdat we niet mogen toelaten dat de inkomensongelijkheid verder toeneemt. Ongelijkheid maakt ongelukkig. En indien we de loongroei beperken en tegelijkertijd de dividenduitkeringen onbeperkt laten toenemen, dan zal de inkomensongelijkheid verder toenemen. Dat er mensen zijn die profijt halen uit hoge dividenduitkeringen leidt geen twijfel, dat er veel meer mensen zijn voor wie dat niet geldt - zeker als hun arbeidsinkomen wordt gematigd - evenmin. Het financieel vermogen van de gezinnen - en zeker het bezit van aandelen - is zeer ongelijk verdeeld, veel ongelijker dan het inkomen uit arbeid. Zo zijn de 10 procent hoogste inkomens goed voor 62% van het financieel vermogen met marktwaarde.

Zowel vanuit een economische invalshoek als vanuit een maatschappelijke invalshoek is het dus logisch om van de aandeelhouders een gelijkaardige inspanning te vragen als de inspanning die gevraagd wordt van de werknemers. De wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen uit 1996 voorziet expliciet in die mogelijkheid. Artikel 14 van die wet bepaald immers dat de regering in Ministerraad overlegd besluit maatregelen kan nemen met betrekking tot een matiging van de dividenden, gelijkwaardig aan de loonmatiging.  Toch vraagt de regering alleen de lonen te matigen en dat betreur ik ten zeerste. Die loonmatiging dreigt immers opnieuw omgezet te worden in grotere winstuitkeringen voor de aandeelhouders, met een beperkte impact op de competitiviteit en toenemende ongelijkheid als gevolg.

 

 

Dirk Van der Maelen

< Vorige   Volgende >


1: Nieuws / 2: Fiscaliteit / 3: Internationaal / 4: Vrede / 5: Parlement / 6: Biografie / 7: Contact